Geschiedenis van de Grote of Sint Nicolaas Kerk te Vreeland

door: Micha Cluysenaer

Hartelijk welkom in de Grote Kerk van Vreeland, het oudste gebouw van het dorp. Als u om zich heen kijkt ziet u het resultaat van eeuwen bouwen, herbouwen, aanbouwen, verbouwen, vernieuwen en restaureren.

Midden 13e eeuw gesticht

Hoewel de eerste vermelding van de kerk van Vreeland dateert uit 1308, lijkt het bestaande kerkgebouw er op te wijzen dat kerk en parochie nog in de 13e eeuw zijn gesticht als afsplitsing van de oudere parochie Nederhorst den Berg, waar al in de 8e eeuw door Liudger een kerk was gesticht. Of hier op deze plek ook al eerder een houten kerkje heeft gestaan is onbekend. De kerk in Vreeland had alles te maken met het kasteel Vredelant.

Midden 13e eeuw richtte bisschop Hendrik van Vianden van Utrecht, die geestelijke én wereldlijke macht bezat, een kasteel op tegen zijn eigen ministerialen (dienstmannen die in een erfelijke verhouding met hun leenheer stonden), de Heren van Amstel. Het diende als grensversterking en om het territorium van de bisschop te beschermen. Dit kasteel stond op een strategische plek in de bocht van de ‘oude’ Vecht, precies op de grens van Holland en Utrecht. Machthebbers uit beide gebieden zouden veelvuldig om het kasteel strijden. Het voormalige kasteelterrein is nu een weiland en archeologisch monument, naast de provinciale weg aan de huidige Raadhuislaan hoek Kleizuwe.

De kerk werd tegelijkertijd of iets later enigszins westwaarts gebouwd, niet te dicht bij het kasteel om bij belegeringen letterlijk ‘buiten schot’ te blijven. Maar dat laatste bleek ijdele hoop zo zullen we zien.

Al snel ontstond bij het kasteel het dorp Vreeland dat in 1265 van dezelfde bisschop Van Vianden stadsrechten ontving. De kerk zal rond dat jaartal voltooid zijn want kerk én kasteeltoren staan beide afgebeeld op het Vreelandse stadswapen, waarop we ook Sint Maarten zien, de beschermheilige van de Utrechtse Domkerk, destijds de Sint Martinuskerk geheten. Vanaf zijn paard deelt de heilige zijn mantel met een arme bedelaar.

Volgens de catalogus Episcorum Ultrajectinorum, de Lijst met Utrechtse bisschoppen van 695 tot 1378, stond op het graf van bisschop Van Vianden in de Domkerk heel vroom geschreven: Struxii Martine, Vredelant pro pace tuorum, Pace beatorum fruar, ut tectum sine fine. ‘Vreeland heb ik gebouwd, Martinus, ter wille van de vrede der Uwen. Moge ik de vrede der gelukzaligen genieten, om zonder ophouden bij u te zijn.’ Het ging hem dus meer om zijn eigen vorstelijke macht dan om het heil der gelovigen. De bisschop die in 1267 overleed, beschikte in of bij het kasteel over een slotkapel, zo blijkt onder meer uit zijn testament. Mogelijk fungeerde de kerk eerst als zijn kapel.

In 1280 veroverde de Hollandse graaf Floris V kasteel Vredelant en verkreeg daarmee ook de stad. Vreeland werd Hollands! Omdat we Sint Martinus daarna niet meer tegenkomen in de bronnen, maar wel vanaf 1308 Sint Nicolaas, kunnen we aannemen dat deze heilige op aangeven van Floris V of een van zijn opvolgers, de plaats innam van Sint Martinus, die wel altijd het stadswapen heeft gesierd. Sint Nicolaas was naast beschermheilige voor ongetrouwde meisjes, ook patroon van onder meer schippers, kooplieden en vissers. Een goede keuze dus voor een stadje aan het water. De verering van oosterse heiligen zoals Sint Nicolaas (bisschop van Myra, in Lycië, Klein-Azië, 4e eeuw), was opgekomen in de 12e eeuw als gevolg van de kruistochten. Dat zowel de oudste kerk van Amsterdam, de Oude Kerk (waarschijnlijk ingewijd in 1306) en de kerk in Vreeland beide de naam van Sint Nicolaas dragen, wijst mogelijk op een nauwe band tussen Vreeland en Amsterdam.

Kerk verwoest en heropgericht

In 1333 werd de kerk ernstig verwoest als gevolg van brand en oorlogshandelingen tussen, alweer, de bisschop van Utrecht en de graaf van Holland. Een grote restauratie vond vermoedelijk plaats tussen 1334 en 1340 waarbij de kerk ook iets werd vergroot. Twee bouwstijlen liepen nu in elkaar over: de Romaanse en de Gotische. Voor de gedeeltelijke nieuwbouw was veel geld nodig en volgens een brief van 3 maart 1333 beloofde bisschop Jan van Diest iedere gulle gever een barmhartige aflaat van veertig dagen. Dat betekent dat een groot deel van de huidige kerk tot stand kwam met geld dat werd geschonken om kwijtschelding van straf in het vagevuur te krijgen.

Rond 1335 zal ook een nieuw doopvont zijn vervaardigd in laat-romaanse stijl, met daarop onder meer een doornenkroon. Dat doopvont en twee altaren, voor Maria en Sint Antonius genoten in de middeleeuwen meer dan plaatselijke bekendheid. De vicarie (een soort stichting, een middeleeuwse rechtspersoon) van Maria werd in 1410 gesticht door de parochiaan Christiaan Jacobsz. Hij schonk goederen, landerijen, erven en renten tot “hulpmiddel voor zijne ziele en voor de zielen van zijne ouders”. Vicarissen, priesters, droegen deze zielsmissen op aan de vicarie altaren in de kerk.

De middeleeuwse parochie omvatte het stadje Vreeland, de Dorssewaard ten noordoosten van de stad, een gedeelte van het gerecht Nigtevecht en tot circa 1395 Kortenhoef.

Katholieke overblijfselen

In de loop van de 15e eeuw veranderde het aangezicht en de oppervlakte van de kerk toen de dwarskapellen tegen het schip werden gebouwd. Uit deze tijd zullen ook de wijdingskruizen stammen, verwijzend naar de (her)opening van de kerk door de bisschop die de kerk zal hebben ingewijd. Hiervan zijn er nog twee bewaard. Eén daarvan bevindt zich naast de deur aan de zuidzijde.

Andere katholieke overblijfselen in de huidige kerk zijn de talloze nissen of uitsparingen in verschillende maten op diverse hoogtes, vooral in de zijbeuken en het koor. Hierin stonden vroeger beeldjes en collectebussen voor verschillende beschermheiligen. Die werden aangeroepen ter vergiffenis voor zonden, voor bescherming tegen onheil, genezing van ziekten of voor een huwelijks- of zwangerschapswens. Rechts in het koor (tegen de westwand) bevindt zich nog een bijzondere sacramentsnis.

Eerste predikant

Nadat in 1580 de katholieke eredienst door de Staten van Utrecht was vervangen door de hervormde, kreeg Vreeland in 1585 haar eerste predikant: ds. Guillielmus Aegidii, Van der Aa spreekt over hem als Egidius Jeliszoon die in 1593 nog in dienst was. Inmiddels was het koor met een wand van het schip gescheiden.

In hoeverre was nu de hervormde eredienst eind 16e eeuw daadwerkelijk ingevoerd? Dát wilden de Staten van Utrecht graag weten. Daartoe lieten zij alle kerken op het platteland inspecteren. In 1593 blijkt de Vreelandse kerk nog, ik citeer, ‘bezoedeld met altaren en relikwieën van het pausdom’, aldus het inspectierapport. En ds. Aegidii had nog nooit een avondmaal gehouden. Eigenlijk wilde men hem wel kwijt, al had hij zich wel verbeterd wat betreft ‘sijn oude faulte van drincken’. Hij zou aanblijven tot 1596.

Ergens tussen 1593 en 1605 moet het middeleeuwse kalkstenen doopvont uit de kerk zijn verwijderd, het werd begraven in een nabijgelegen tuin waar het begin 19e eeuw werd gevonden tijdens graafwerkzaamheden. Vervolgens was het doopvont een tijd in gebruik als schampsteen op de hoek van de Kleizuwe en de Raadhuislaan, om koetsen en wagens op de weg te houden. Na ontdekking van de ware aard van de schampsteen door een passant, verkocht Burgemeester Van den Andel de steen in 1851. Het belandde in het Centraal Museum in Utrecht waar het later helaas zoek is geraakt.

Vreeland twee jaar vacant tijdens kerkelijke twisten

Terug naar 1600. Langzaam nam het aantal hervormden toe. Op de Utrechtse synode van 1606, waar namens Vreeland ds. Evert Voscuyl aanwezig was, verklaarde deze dominee een goed gehoor te hebben van rond de honderd personen en dertig avondmaalgangers. De schoolmeester was de hervormde richting toegedaan. Later, na zijn vertrek naar Kampen in 1609, zou ds. Voskuyl zich als remonstrant ontpoppen. Hetzelfde was het geval met ds. Geysteranus, zijn opvolger in Vreeland, die in 1617 naar Alkmaar vertrok en daar vervolgens bij de remonstranten nog een belangrijke rol zou spelen.

In deze woelige tijden van kerkelijke twisten en de synode van Dordrecht (1618-1619) bleef Vreeland twee jaar vacant, tot in 1619 de contraremonstrant ds. Werner van Turnhout uit Ankeveen werd beroepen en zijn intrede deed.

Waarschijnlijk is bij zijn komst voor het eerst een kerkenraad ingesteld, waarvan de acta sinds 1620 zijn bewaard. Kort tevoren was men begonnen met de registratie van doop, huwelijk en lidmaten. In 1619 werd de hervormde gemeente ook klassikaal ingedeeld bij de classis Amersfoort. Daaronder zou de gemeente tot 1951 ressorteren, waarna Vreeland overging naar de nieuw opgerichte classis Breukelen.

Aanzienlijk was de invloed in kerkelijke zaken van de heer van Vreeland als patroon en opperkerkmeester. Op het einde van de 17e eeuw en het begin van de 18e eeuw pretendeerde hij ook het recht om de schoolmeester-koster-voorzanger aan te stellen, maar dat werd hem ontzegd. Bij de benoeming van kerkmeesters had hij vermoedelijk vanouds een doorslaggevende stem en nog in 1821 bepaalde hij, na voordracht van drie kandidaten door de zogenaamde kerkelijke commissie, de uiteindelijke keuze van de kerkvoogden.

Nieuw meubilair in 17e eeuw

In de 17e eeuw kreeg de kerk nieuw meubilair: zoals een maniëristisch koorhek, en een doophek van eikenhout rond de dooptuin in 1644, twee koperen kroonluchters in het schip van de kerk, opgebouwd in twee etages van zes armen, een koperen doopboog in 1664 en een koperen lezenaar, kansel en schout-en schepenenbank in 1693. Die bank is er niet meer, maar het reliëf met gekroond wapenschild waarmee het was versierd, hangt nu boven de consistorie in het koor. Hierop zijn herten, een adelaar en een hond te zien. Het koorhek is overigens 16e -eeuws en dateert mogelijk van voor de reformatie. In het rampjaar 1673 bleef de kerk weer niet buiten schot. Ze raakte beschadigd en de Fransen roofden de kerkklokken, maar die wist men weer terug te halen. Pas in 1699 vonden herstelwerkzaamheden plaats, zo blijkt uit een inscriptie op de natuurstenen hoekblokken. De toren en de westmuur van het schip werden met kleine bakstenen opnieuw beklampt en de meeste vensters kregen houten ramen. De kerkvloer werd in 1701 en in 1771 verhoogd waarbij ook twintig nieuwe zerken werden aangebracht. In 1789 volgde een grote restauratie: de kerk kreeg onder meer een nieuw dak, nieuwe ramen en kozijnen en een nieuwe torenspits. Die ging er echter al weer af in 1810.

Kerktoren krijgt seininstallatie

In dat jaar werd Nederland ingelijfd in het Franse keizerrijk. Napoleon vorderde alle kerktorens in het land. Zo ook die van Vreeland. Het bovenste deel van de torenspits werd afgebroken en op het platte dak werd een seininstallatie geplaatst. Die bestond uit een houten paal met dwarslatten die met touwen in 92 verschillende posities kon worden gezet. Vreeland maakte nu deel uit van de Ligne du Nord van de Chappe telegraaf van Amsterdam naar Parijs (en uiteindelijk Venetië). Na de nederlaag van Napoleon in 1813 bij Leipzig, werden alle optische telegraaflijnen buiten Frankrijk opgeheven. Ook in Vreeland verdween de telegraaf en werd de toren met een plat dak dicht gemaakt.

Pas in 1837 kreeg de kerk weer een torenspits dankzij de ambachtsheer van Vreeland Jacob Hooft die daartoe opdracht had gegeven. Timmerman Wouter Boes voerde het werk uit. Hij beschreef ook kort de historie van de plaatsing en verwijdering van de Chappe telegraaf en stopte zijn relaas vervolgens in een fles die hij boven in de torenspits plaatste. Een kopie belandde in het archief van de heerlijkheid Vreeland.

Knipscheerorgel

Tijdens ‘eene plegtige godsdienstoefening’ op 24 oktober 1852 nam de kerkgemeente het monumentale Knipscheerorgel in gebruik. Onder orgeldeskundigen geldt de naam ‘Knipscheer’ als die van een van de belangrijkste orgelmakers van de negentiende eeuw. Bij de grote restauratie in 1969 (zie hieronder) verhuisde het orgel van de koorzijde naar de torenzijde van de kerk, waar het werd neergezet op een te klein balkon dat verzakte. Daardoor raakte het orgel in de loop der jaren gehavend en dat was óók aan het geluid te horen. Anno 2021 is de kerkgemeente druk met een groot orgelrestauratieproject. Daarvoor zal het orgel in delen worden verwijderd om het te kunnen restaureren. Het is de bedoeling dat het Knipscheerorgel met honderden houten, tinnen en loden pijpen eind 2021 volledig zal zijn gerestaureerd en, geplaatst op een groter orgelbalkon, weer volop zal bijdragen aan het monumentale karakter van de Sint Nicolaaskerk.

Grote brand in 1857

Een grote brand trof de kerk in 1857, vermoedelijk als gevolg van een omgevallen stoof met kooltjes. De bluswerkzaamheden werden niet alleen door de plaatselijke brandweer, maar ook door de korpsen van Loenen, Loenersloot en Loenerveen uitgevoerd, de laatsten gealarmeerd door een expresse te paard. Hierna onderging de kerk een gedaanteverwisseling. Van binnen werd de kerk gepleisterd en van nieuwe vensters voorzien, terwijl het schip een stucplafond kreeg.

Terug naar de toren. Vrijwel alle kerktorens bleven na de Napoleontische periode in het bezit van de burgerlijke gemeenten. Zo niet in Vreeland. Op verzoek van de hervormde gemeente werd de Vreelandse kerktoren met zijstukken, klok en uurwerk in 1896 teruggegeven aan de kerkelijke gemeente. Het gemeentebestuur was daar maar wat blij mee. Het onderhoud kwam nu weer ten laste van de kerkgemeente, die hiervoor jaarlijks wel een kleine geldelijke bijdrage ontving van het gemeentebestuur. Dat behield de beschikking over de gevangenis in de toren aan de noordzijde, het recht om de vlag uit te steken en de klok te luiden als dat wenselijk was. Tegenwoordig draagt de gemeente (Stichtse Vecht) niet bij aan het onderhoud van de toren.

Grote wetenschappelijke restauratie

Na de Tweede Wereldoorlog besloot men in de jaren ’60 tot een nauwkeurige en wetenschappelijke restauratie onder regie van de Rijksdienst voor Monumentenzorg. Architect C.W. Schaling kreeg de leiding van dit grote project dat ongeveer vijftien jaar in beslag zou nemen. Men deed archeologisch onderzoek naar de 13e -eeuwse fundamenten. Met vereende krachten kwamen de benodigde gelden bijeen, gesubsidieerd en gedoneerd door Rijk, Provincie, Gemeente, Van Leer’s vatenfabriek en talloze particulieren.

De verbouwingen uit de 19e eeuw werden ongedaan gemaakt, grafstenen geruimd (alleen in het koor zijn nog enkele grafstenen te zien), en de vloer vervangen. De vensters kregen weer bakstenen traceringen. De koorruimte werd bij de kerk getrokken en het rijke 17e -eeuwse meubilair verplaatst. En, heel belangrijk: het houten tongewelf kwam terug, met daarin gewelfschotels waarop de vier evangelisten en Sint Nicolaas staan afgebeeld.

Een Vreelands echtpaar schonk in 1967 de huidige bronzen kerkklok. In de Tweede Wereldoorlog was de kerkklok opnieuw geroofd. Na de oorlog schonken de Duitsers als ‘wiedergutmachung’ een tweedehands gietijzeren klok. Deze werd in 1967 verwijderd omdat hij gebarsten was en staat nu op het grasveld naast de kerk.

In 1969 vervaardigde de beroemde Limburgse glazenier Joep Nicolas drie gebrandschilderde ramen voor de kerk. Ze tonen achtereenvolgens de Opstanding van Christus (oostzijde), Het Nieuwe Jeruzalem (beuk noordzijde) en de Schepping (beuk zuidzijde). Een toelichting op de kunstenaar en zijn glas-in-loodramen vindt u aan het einde van deze tekst.

In 2007 was er weer een groot onderhoud aan het stucwerk, het dak en de omloop van de toren.

De Protestantse Gemeente Vreeland fuseerde in 2006 met de Gereformeerde Gemeente in Vreeland. Deze kerkte, na de Doleantie van 1886, in een kerkje dat in 1891 was gebouwd aan de Nigtevechtseweg 1. Een grote brand legde deze kerk in 1905, op de consistorie na, vrijwel geheel in de as. De internationaal bekende kunstenaar en (binnenhuis)architect en tevens inwoner van Vreeland C.A. Lion Cachet, kreeg de opdracht op dezelfde locatie een nieuwe kerk te bouwen in samenwerking met de heer H. van Emmerik. Deze zaalkerk in Berlage stijl neemt een bijzondere plaats in binnen het oeuvre van Lion Cachet. Het bijzondere interieur met meubilair, glas-in-loodramen, belettering en lambrisering in Art Nouveau stijl is een Rijksmonument. Het kerkje dat na de fusie overbodig was geworden, is in 2008 verkocht aan particulieren.

In het koor vindt u van beide gemeenten de borden met de namen van alle predikanten.

De Sint Nicolaaskerk heeft een prachtige akoestiek en wordt niet alleen gebruikt voor kerkdiensten maar ook voor concerten, lezingen, 4 mei bijeenkomsten, schooluitvoeringen en als trouwlocatie voor burgerlijke huwelijken. De kerk wordt gekoesterd door vele Vreelanders en neemt een belangrijke plaats in binnen het Vreelandse dorpsleven.





Bijlage I Glas-in-loodramen van Joep Nicolas (1897-1972)

Joep Nicolas was een telg uit een kunstzinnig Roermonds geslacht. Zijn grootvader en daarna zijn vader en oom leidden in deze bisschopsstad een goedlopend glasatelier voor gebrandschilderd glas. Nicolas won in 1925 in Parijs de Grand Prix des Maîtres der Verriers met het Sint Maartensraam. Dat was nog in de traditie om de loodlijnen de contouren van de figuren te doen volgen, weldra zou hij daarmee breken en de loodlijnen dwars door figuren heen trekken. Met dit kunstwerk had Nicolas de glasschilderkunst ontdaan van haar decoratieve dienstbaarheid aan de monumentale architectuur en haar verzelfstandigd tot een volwaardig expressiemiddel. Met dit levendige, strak gecomponeerde en kleurrijke raam werd zijn internationale reputatie als glazenier in een klap gevestigd. Hij zou nog twee keer de Grand Prix winnen, in 1933 in Milaan en in 1935 in Brussel. Vanaf midden jaren ’20 stroomden de opdrachten binnen. Nicolas introduceerde ook enkele vernieuwingen zoals de techniek van meerkleurige vermurrail (muurglasschildering), het gebruik van grisaille (glasschilderverf) en opaline (dun melkglas). Nicolas woonde lange tijd in de VS en maakte daar ramen voor 22 kerken. De 27 glas-in-loodramen in de Oude Kerk in Delft worden beschouwd als zijn levenswerk. Naast vele andere kerken zoals de Sint Catharinakathedraal in Utrecht, de Sint Fransicuskerk in Groningen en de Sint Agneskerk in Amsterdam, voorzag hij ook stadhuizen (Breda, Hilversum, Tilburg), hoofdkantoren (Amstelbrouwerij, Philips in Eindhoven, Unilever in Rotterdam) en andere instellingen zoals het KRO-gebouw in Hilversum en de Rijksuniversiteit Utrecht van glas-in-loodramen.



In de noorderzijbeuk bevindt zich het Scheppingsraam, geschonken door de Provincie Utrecht.

Hier wordt uitgebeeld het begin van de geschiedenis van God met de mens en zijn vrouw staande onder de boom van de kennis van goed en kwaad. De slang is al zichtbaar. De aarde, waarop zij staan vertoont alle trekken van het paradijselijk samenleven van mens en dier en de dieren op het land geven aan het geheel een grote vrolijkheid. Het land waarover Genesis 1 en 2 spreken is land dat God aan de mensen heeft beloofd. Het is door zijn schepping en zijn trouw, dat het leven op aarde vol beloften is. Maar dat leven wordt bedreigd. Die dreigingen wonen in de wateren, die het beloofde land omspelen. Daar wonen de grote monsters (Genesis 1: 21). Monsters, een voorstelling van alles wat de mens in paniek brengt en hem het vertrouwen in Gods goede schepping dreigt te doen verliezen. Deze monsters huizen in de zee, onder in het raam.

In de bijbel is de zee, dat gebied waar de vele wateren zijn samengevloeid, het gebied waar een mens geen vaste grond onder de voeten heeft en dreigt te verzinken. Waar het water de mens tot aan de lippen komt. Zo is de zee een gebied met doodsdreigingen. Naast Genesis 1 vinden we dit thema terug in de zondvloed geschiedenis en in de zee waar Gods volk onder Mozes’ leiding doorheen trekt, over een smal pad, dat het uit de slavernij zal voeren naar het beloofde land. In het Nieuwe Testament klinkt ditzelfde thema door in de geschiedenis van Jezus, die over de zee loopt. Ook in het boek Jona speelt de zee als doodsgebied een belangrijke rol. Een ding laat Genesis 1 duidelijk horen: ook dit gebied met al zijn dreiging houdt God vast. Het is de hand van zijn trouw, die dezelfde hand is, als waarmee hij de aarde als het beloofde land voor zijn mensen geschapen heeft. Die hand is uitgebeeld helemaal boven in het raam, boven de wolken waarlangs de vogels vrolijk vliegen en waaraan zon, maan en sterren hun licht laten schijnen.

Dat de aarde het beloofde land is, is een geheim. Dat lees je niet aan de dingen en aan de mensen af. Daarvoor is een verteller nodig, die de geschiedenis van Gods trouw in zijn schepping en omgang met de mensen kan vertellen. Hij staat onder het mensenpaar, aan de rand van het beloofde land; de golven van het dreigende doodsgebied omspoelen zijn voeten. Hij is het, die de mensen zegende met de geschiedenis van Gods trouw. Hij staat daar als een herdersfiguur, een Mozes, van wie de traditie heeft gezegd, dat hij ons heeft overgeleverd de Thora, het richtsnoer, dat geldt in het beloofde land. Zonder zijn woorden zouden we niet geweten hebben van de heilsgeschiedenis van God met de mensen. Zo wordt dit raam gedragen door Mozes: hij verkondigt als eerste het Woord van God. En zo wijzen alle drie de ramen naar het hart van de kerk: de kansel en de lezenaar, met daar op de geopende bijbel en op de vertellers van de goede boodschap: Mozes, de vier evangelisten en Johannes van Patmos.



Het grote raam in het koor, het Opstandingsraam, geschonken de heer Jacob Molenkamp.

Onmiddellijk wordt in het geheel van de voorstelling onze aandacht getrokken door het wit van de centrale gestalte: Christus, verrijzend uit het graf. Door de rode mandorla, de schelpachtige vorm, komt de Christus nog scherper uit. Zijn rechterhand maakt een zegenend gebaar. In de linkerhand houdt hij de overwinningsvaan, een teken van zijn overwinning op de machten van de dood. Onder zijn voeten zien we de omtrekken van een gemetseld graf en daar onder de wachters, “die werden als doden”. Christus wordt omgeven door vier voorstellingen, kleinere uitbeeldingen van het opstandingsverhaal, zoals dat door de vier evangelisten wordt verteld.

  1. Rechts, ten hoogte van zijn voeten het Mattheusverhaal: de engel heeft de steen van het graf gewenteld en vertelt aan de vrouwen, dat Christus is opgewekt uit de doden.

  2. Links, op dezelfde hoogte de Marcus geschiedenis: twee engelen ontmoeten de drie vrouwen, die op weg naar het graf waren gegaan, om het lichaam van Christus met specerijen te zalven.

  3. Linksboven de Johannes geschiedenis: Maria Magdalena ontmoet een man, van wie zij denkt, dat het de hovenier is, maar het is Jezus, met tuindershoed en schop over zijn schouder.

  4. Rechts, op dezelfde hoogte, de Lucas geschiedenis: de beide Emmaüsgangers met de vreemdeling in hun midden, die later de Christus blijkt te zijn.

Boven over de hele breedte van het raam, zien we de contouren van de heilige stad Jeruzalem in het licht van de opgaande zon van de Paasmorgen. Helemaal boven in het raam worden de drie christelijke deugden uitgebeeld: Geloof, Hoop en Liefde. Daartussen een brandende toorts. Het geheel van de voorstelling staat dus als het ware in een kader: boven de stad Jeruzalem, beneden de wachters, beiden over de volle breedte van het raam. Maar die brede, kleurrijke band is niet de afsluiting. Heel de voorstelling heeft een basis: de opstandingsgeschiedenis wordt gedragen door de getuigenis van de vier evangelisten. En dat “gedragen worden” zien we letterlijk: het hele raam rust op één fundament met vier nissen daarin. Van links naar rechts: Mattheus met een mensengestalte naast zich, Marcus met een leeuw , Lucas met een rund en Johannes met een vliegende arend. Die dieren zijn de dieren rondom de troon van God. Dat is een voorstelling uit Openbaring 4:1-11 en verwant met Ezechiël 1. Een oude traditie verbindt deze vier dieren met de vier evangelisten.



In de zuiderbeuk bevindt zich het raam Het Nieuwe Jeruzalem, de Voleinding van de Geschiedenis. Dit raam is gesponsord door Van Leer’s Vatenfabriek NV (tegenwoordig Greif Nederland BV).

Het raam in de noordzijde van de kerk is de afbeelding van het nieuwe Jeruzalem, zoals we dat kunnen lezen in de Openbaring van Johannes (hoofdstuk 21:9 e.v.). Links onderaan zien we de apostel Johannes op Patmos bezig aan de opdracht om het visioen dat hij ziet, op te schrijven. Geknield, met een boekrol en een schrijfveder in de hand, kijkt hij naar een van de zeven engelen, die hem het visioen van de heilige stad Jeruzalem laten zien en hem opdraagt alles nauwkeurig op te schrijven, opdat allen die zijn woorden horen (lezen), zich zullen bekeren. De engel heeft een gouden meetlat in de hand, waarmee hij de maat wil nemen van de stad, haar poorten en haar muur.

Onderaan in het midden zien we een van de twaalf poorten ( elke poort vormde een parel) en de straat die er doorliep was van zuiver goud, doorzichtig als glas. In het midden van het raam: het Lam Gods met het vaandel der verlossing, gezeten op het boek met de Zeven Zegelen. Boven het Lam, centraal gezeten, de gestalte van God met in zijn hand de Alfa en de Omega, want God staat aan het begin en aan het einde. De stroom des levens ontspringt uit vier bronnen van onder de troon waarop het Lam gezeten is. Het water des levens bevloeit het geboomte des levens, beladen met vruchten, twaalfderlei, die alle maanden vruchten draagt en waarvan de bladeren genezing brengen.

Rondom de troon van God en het Lam zien we de volkeren hun pracht en praal binnenbrengen. Links de kerkelijke en wereldlijke leiders en rechts de ‘gewone’ burgers. En wat gebeurt er met een van hen? Is het een burger die zijn kleren niet gewassen heeft? (Openbaring 22:14 en 15). Helemaal boven in zien we drie afbeeldingen naar aanleiding van het visioen van Ezechiël (Ezechiël 1). De drie “cirkels” verwijzen naar Ezechiël 1:15-21, waarin de zogenaamde Hemelwagen wordt beschreven. De engelen (Serafijnen, Cherubijnen en Thronen) worden daarin aangeduid door de vleugels. Met dit raam is Joep Nicolas duidelijk in de visionaire mystiek van het Christendom gaan staan. Een traditie, die met verlangen uitziet naar de komst van God in al zijn glorie, juist omdat deze traditie zo sterk de nood van de mensenwereld voelt. Toen zei hij tegen mij: ‘Ik kom spoedig!’ Gelukkig is wie zich houdt aan de profetie van dit boek. (Openbaring 22:7).



Bijlage II Architectuur

Voor belangstellenden in de architectuurhistorie volgt hier nog kort een beschrijving uit de Monumenten-Inventarisatie Provincie Utrecht, Loenen.

De veelvuldig gerestaureerde Nederlands Hervormde Sint-Nicolaaskerk heeft een kruisvormige plattegrond. De kerk wordt gekenmerkt door een ingebouwde westtoren, waarachter zich een eenbeukig schip met twee lage dwarskapellen bevindt en een consistoriekamer aan de noordzijde. Een versmald rechtgesloten koor sluit het schip af. De dertiende-eeuwse toren maakt deel uit van de westelijke gevel van het schip. De zware, lage vierkante toren bezit een vierkante met leien bedekte spits, die wordt bekroond door een windwijzer in de vorm van een haan op een kruis en een vergulde bol. Op de torengevels rust een houten balustrade met balusters. De balustrade wordt onderbroken door vier rood geschilderde wijzerplaten met frontons, houten zonnewijzers die de hele en halve uren aangeven. De zijmuren van het schip zijn voorzien van vijf steunberen met hardstenen dekplaat. Elke daartussen gelegen travee heeft een smal spitsboogvenster met vorktracering en tufstenen aanzet- en sluitstenen. Het rechthoekige koor is opgetrokken uit kloostermoppen en voorzien van een tuitvormige oostgevel met twee steunberen en een hoog spitsboogvenster.



Auteur: Micha Cluysenaer





Geraadpleegde bronnen:

Aa, A.J. van der, ‘Vreeland’, Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden, Dl. 11, Gorinchem 1848, pp. 903-904

Booy, F., ‘Nicolaaskerken tussen Vecht en Eem’, in: Tussen Vecht en Eem, december 2011

Corbeek, A., Grote- of Sint-Nicolaaskerk Vreeland, Vreeland 1986

Cruysheer, A.T.E., ‘Het verdwenen middeleeuwse doopvont uit de hervormde kerk van Vreeland’, Vechtkroniek 31, november 2009

https://nl.wikipedia.org/wiki/Joep_Nicolas

Inventaris 1093 Archief Hervormde Gemeente Vreeland 1618-1979, W. de Boer, K. Buikoel, J.P. Gallas, T. Gras, C. Steelandt, en J. Vis. Regionaal Historisch Centrum Vecht en Venen, Breukelen.

Inventarisatierapport kerkcollectie Nicolaaskerk Vreeland, door Museum Catharijneconvent. Kerkcollectie digitaal, erfgoed in kerken en kloosters, eindredactie Museum Catharijneconvent, Marco Boshuis, oktober 2019, Nicolaaskerk Vreeland, Nr. 4467.

Jonker-Duynstee, J. en A.T.E. Cruysheer, Vreeland 750 jaar geschiedenis in Vogelvlucht, Vreeland 2015

Kruijter, C. de, ‘1000 jaar geschiedenis in vogelvlucht, Kerken in Loenen, Nigtevecht en Vreeland, in: Vechtkroniek 16, mei 2002

Michielse, H., ‘Het ‘Huis Gods’ tussen Vecht en Eem. Over de spirituele betekenis van het kerkgebouw in de middeleeuwen’, in: Tussen Vecht en Eem, maart 2011

Monumenten-Inventarisatieproject Provincie Utrecht, Loenen geschiedenis en architectuur, eindredactie M.E. Stades-Vischer, Zeist 2000

Resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn6/nicolas, Josephus Antonius Hubertus Franciscus Nicolas 1897-1972, Jaak Slangen





Micha Cluysenaer

9